Het pensioenstelsel op de schop: Uw “eigen” potje als oplossing

Al jaren is ons pensioenstelsel onderwerp van discussie binnen het maatschappelijke en politieke domein. Nu we – na een formatie die de records brak – een regeerakkoord op tafel hebben krijgen we steeds meer inzicht in hoe het nieuwe systeem er in grote lijnen uit moet komen te zien. Al in 2016 deed de SER (Sociaal-Economische Raad) een eerste technische verkenning naar de mogelijkheden van een nieuwe variant: het eigen pensioenpotje. Maar waar komt de noodzaak voor herziening nou eigenlijk vandaan?

Het huidige systeem sluit niet meer aan op de maatschappelijke en economische situatie

Een veel gehoord kritiekpunt op pensioenfondsen is dat de huidige generatie de prijs betaald voor de pensioenuitkeringen van de ouderen. Maar is dit wel zo? In ons bestaande pensioenstelsel is er sprake van collectieve uitvoering op basis van een doorsneepremie. Dit houdt in dat er voor iedere deelnemer – ongeacht geslacht, leeftijd of gezondheid – eenzelfde pensioenpremie wordt betaald. Deelnemers krijgen hiervoor ook een gelijke pensioenopbouw. De kritiek komt voort uit het feit dat jongere werknemers teveel premie betalen in vergelijking met oudere werknemers voor het pensioen dat er opgebouwd wordt. De ingelegde premie van een jongere werknemer kan immers jaren langer renderen dan die van een oudere medewerker. Het systeem van de doorsneesystematiek en collectieve uitvoering stamt uit een tijd dat werknemers gedurende hun loopbaan grotendeels bij slechts een enkele werkgever in dienst waren. Demografische wijzigingen evenals individualisering en flexibilisering van de arbeidsmarkt hebben tot gevolg dat het huidige stelsel onder vuur is komen te liggen. Onder de jeugdige generatie leeft de angst dat zij te weinig pensioen op bouwen. Pensioenverzekeraars- en uitvoerders kampen bovendien met problemen en hebben moeite met het behalen van de dekkingsgraden en het aanleggen van de benodigde financiële buffers.

Het persoonlijk pensioenvermogen als alternatief

In haar advies verkent de SER mogelijkheden voor een systeem op basis van individuele pensioenopbouw. Iedere werknemer krijgt een persoonlijke pensioenrekening waar de maandelijkse premie op gestort wordt. Dit potje groeit door de maandelijkse inleg en rendement op beleggingen. Het wordt voor werknemers inzichtelijker wat er nu daadwerkelijk in het potje zit. Het nadeel is echter dat er pas relatief laat – 5 a 10 jaar voor pensioendatum – een indicatie over de hoogte van het pensioen gegeven kan worden. Het systeem creëert dus meer inzage voor de individuele werknemer maar kent als keerzijde een hogere onzekerheid. In het huidige systeem weet een werknemer op elk moment wat zijn toekomstige uitkering zal zijn, hoewel diverse pensioenfondsen zich in de afgelopen jaren genoodzaakt zagen de pensioenuitkeringen te korten.

Naast het voornemen voor een individueel potje staat er in het regeerakkoord dat er wel een collectieve voorziening moet blijven bestaan om bepaalde risico’s op te vangen; een belangrijke eis uit de koker van het CDA. In gunstige economische tijden – met relatief hoge rendementen – moeten er collectieve buffers gevuld worden; anderzijds kan het persoonlijk vermogen aangevuld worden vanuit de buffer in economisch ongunstiger tijden. Op deze manier poogt het nieuwe stelsel het beste van twee werelden te combineren door persoonlijke pensioenopbouw te fuseren met collectieve risicospreiding. 

Wat zijn de gevolgen?

De uitdaging voor het nieuwe kabinet voor het creëren van een toekomstbestendig pensioenstelsel zit hem in het genereren van draagvlak onder alle lagen van de bevolking. Een systeem op basis van solidariteit zal rechtvaardig moeten aanvoelen voor alle (toekomstige) deelnemers, maar zal ook een correcte balans moeten vinden tussen individuele keuzemogelijkheden en collectieve risicospreiding. Een duurzaam pensioen op maat is wat de politiek voor ogen heeft, het proces wat daar tot toe moet leiden zal complex zijn. Belangrijk is hoe men de overgang van het huidige systeem naar het nieuwe zal inrichten.

Achteruitgang in de daadwerkelijke pensioenaanspraak zal voornamelijk voelbaar zijn voor de generatie werkenden die tussen de 35 en 50 jaar oud zijn (Het verwachte verlies aan pensioenopbouw ligt volgens het CPB tussen de 4 en 5,5 %). Zij hebben immers wel premie afgedragen voor de financiering van de pensioenen van oudere werknemers, maar profiteren zelf niet meer van deze systematiek indien de doorsneepremie wordt afgeschaft. Om er te voor zorgen dat het nieuwe systeem een brede consensus draagt is het van belang dat de negatieve effecten van de overgang zoveel mogelijk gedempt worden. Voor de toekomstige generaties zijn de voordelen van het nieuwe systeem duidelijk. Zij betalen dezelfde premie als oudere werknemers, echter bouwen zij hiermee betere pensioenrechten op. De premie rendeert immers langer.

Het Nederlandse pensioenstelsel zal er na de komende kabinetsperiode hoogstwaarschijnlijk niet meer hetzelfde uit zien. De exacte inrichting van dit nieuwe systeem zal de gemoederen de komende tijd flink bezig houden. Het is van belang dat dit proces gepaard gaat met een hoge mate van transparantie en overleg tussen alle betrokken partijen om zo een breed draagvlak te creëren. Het onlangs opgestelde regeerakkoord zet echter alleen de grote lijnen voor het nieuwe stelsel uit. De overheid speelt de bal door naar de sociale partners; zij zijn de komende jaren verantwoordelijk voor het ontwerpen van een nieuw pensioencontract.